Vlokje en de lentegodin

Er was eens, niet zo lang geleden, niet zo ver hier vandaan, een jonge sneeuwhaas. Ze verwachtte haar eerste kinderen. Op de ochtend dat er sneeuw en winter in de lucht hing wist ze dat het vandaag zover was. Haar

bruine vacht was al een paar dagen in de rui en langzaam aan het verkleuren naar wit. Die ochtend had ze samen met haar man een hol gegraven om het gezin in te verwelkomen. Sneeuwhazen wonen alle seizoenen in de natuur zonder een hol. Alleen in de winter leven ze in een holletje om zich te beschermen tegen de kou en sneeuw. Florine had het hol een beetje aangekleed met hooi en gras, zodat het warm genoeg zou zijn voor haar jongen. Ze ging liggen in het hol, keek naar de lucht en voelde kleine sneeuwvlokjes langzaam naar beneden dwarrelen. De tijd verstreek, totdat de maan en de sterren hoog aan de hemel stonden. Ze voelde zich zo rustig als nooit tevoren. Arthur, haar man, was naast haar komen liggen. Ze keken elkaar lang aan. Ze hadden geen woorden nodig om elkaar te begrijpen en zeker niet op deze bijzondere avond…

Haar eerstgeborene was een jongen. Florine had allerlei namen bedacht, maar ze vond Vlokje het beste bij hem passen. Hij was zo licht, zo mooi en zo zacht als de sneeuwvlokjes die buiten dansten in het maanlicht. Er werden ook nog drie meisjes geboren. Ook zij kregen namen die Florine en Arthur bij ze vonden passen. Eloïse wat zon betekent, Amélie wat goud betekent en Céleste wat hemels betekent. Florine zong haar kleine babyhaasjes in slaap. Iedere avond net voor het slapengaan vertelde Florine haar jongen een magisch verhaal.

Op een dag was het eindelijk zover: de jongen hazenkinderen mochten uit het hol.

Vlokje was een nieuwsgierig haasje. Hij was snel, lief en helemaal verliefd op de sneeuw. De meisjes waren heel voorzichtig, rustig en schattig. Ze stonden daar met zijn allen in de sneeuw. Zes sneeuwhazen amper te onder­scheiden van de witte vlakte. Vlokje bekeek de sneeuw van alle kanten. Florine en Arthur keken elkaar aan.

“Hij is niet voor niets als een sneeuwhaas geboren,” grapten ze zachtjes tegen elkaar.

De avonden in het hol met de verhalen van mama Florine prikkelde de fantasie van de jonge dieren. Vlokje, Eloïse, Amélie en Céleste voelden zich veilig en warm en helemaal op hun pek in dat hol bij hun ouders.

Op een dag, toen Vlokje al groot genoeg was om af en toe alleen op pad te gaan liep hij op zijn dooie gemak door het bos. Hij bekeek de bomen die bedekt waren met een laagje poedersneeuw. Hij aaide de witte deken die over de stenen lag en ging languit in de sneeuw liggen en bekeek het prachtige landschap. Opeens flitste er kinderen voorbij. Ze lachten en gingen heel hard. En nog één en nog één. Vlokje keek zijn hazenogen uit. De kinderen hadden iets onder hun schoenen. Het leek op een lange, platte stok. Hij keek met zijn hazenmond open.

Vlokje riep naar de vogels: “Wat doen zij, wat is dat?”

“Dat is skiën Vlokje, dat doen de mensen hier in de bergen als er genoeg sneeuw ligt.”

Vlokje hupste, sprong en rende naar huis. Hij sprintte als een malle zijn hol in en riep: “Mama, waarom skiën wij nooit?”

Mama keek hem aan en zei dan: “Lieverd, dieren skiën niet, dat doen wij niet.”

“Waarom niet, het ziet er heel leuk uit en die kinderen hebben heel veel plezier als ze skiën. Kom maar eens mee kijken.”

Vlokje sleurde zijn vader, moeder en zussen mee richting de skipiste in het bos. Zijn zusjes giechelden zachtjes en zeiden: “Dit is toch niets voor ons, mallerd.”

Zijn vader lachte met de zusjes mee. Alleen zijn moeder leek het nog een beetje te snappen. Ze duwde haar voorhoofd tegen het zijne, keek hem in zijn ogen en zei: “Soms zijn er dingen die je graag zou willen. Dit kun­nen dieren gewoon niet. Het spijt me Vlokje.”

Vlokje geloofde zijn oren niet. Hij vroeg het aan alle dieren. Hij begon bij de buren. De vader van de wilde zwijnen stond buiten.

Vlokje vroeg hem: “Heeft u al eens een keer geskied meneer Zwijn?”

Het wild zwijn keek hem ernstig aan en begon toen hard te lachen. Zo hard dat zijn dikke buik alle kanten op schudde. Vlokje snapte zijn reactie niet en liet hem proestend achter. Hij vroeg het aan de konijnen, de eekhoorns, de herten, de vogels en de dassen. Iedereen keek hem even verbaasd aan en allemaal zeiden ze het­zelfde: “Skiën is voor mensen, niet voor dieren.”

Die avond in zijn hol zei Vlokje zachtjes voor het slapengaan: “Als er iemand is die mij kan helpen, stuur dan alstublieft hulp op mijn pad. Ik wil heel graag leren skiën. Volgens mij kunnen dieren wel skiën en ík zeer zeker!” Hij viel in een diepe slaap en droomde die nacht dat hij net als de kinderen in het bos kon skiën.

De volgende ochtend aan het ontbijt vroeg Vlokje of hij in het bos mocht gaan spelen. Zijn moeder vond het goed. Normaal zou hij met zijn vriendjes gaan spelen, maar vandaag wilde hij niets liever dan naar de skiënde kinderen kijken. Vlokje was zo wit als sneeuw en geen mens zou hem hebben ontdekt, maar er was wel iemand anders die hem iedere dag had gezien. Ze besloot dat het tijd werd om Vlokje een bezoekje te brengen.

Vlokje lag doodstil op zijn buik op een steen naar de skiërs te kijken. Hij probeerde te snappen hoe ze zo kon­den skiën en van welk materiaal de ski’s gemaakt waren. Hij tekende de ski’s en de skischoenen met zijn poot in de sneeuw. Hij dacht net zolang totdat er een diepe rimpel op zijn voorhoofd verscheen. “Als ik nou eens…“

Hij schrok op uit zijn gepeins, omdat er een schitterende regenboog boven hem was verschenen. De bergen, de sneeuw, de zon en nu daarboven nog een regenboog. Vlokjes ogen konden het niet geloven en even voelde hij zich alsof hij in het midden van een schilderij zat. Toen werd de regenboog opeens een ladder! De regen­boogladder was gedraaid en kwam nu recht op hem af. Hij wreef in zijn ogen en kneep zichzelf even. Er kwam een mevrouw de ladder af.

“Ik droom”, dacht hij.

Gekleed in een prachtige jurk met een geel lint om haar middel stond er opeens een soort van prinses voor hem.

“Goedemorgen Vlokje, ik ben Ostara. Ik woon daarboven ergens tussen de wolken en de hemel. Ik zie je al een tijdje kijken naar de skiënde kinderen en gisteravond hoorde ik je om hulp vragen. Daarom ben ik hier.”

Vlokje stond met zijn hazenmond wijd open naar de mooie mevrouw te kijken. Ze leek wel op een engel die neergedaald was op haar regenboogladder. Sprakeloos was hij. Nog nooit had hij zoiets lichts, bijzonders en moois in het echt gezien.

Ostara pakte hem zachtjes bij zijn poot vast: “Ik zal zorgen dat er hulp voor je komt om je wens uit te laten komen. Ik wilde je niet laten schrikken. In tegendeel, ik ben de sneeuwhazen veel dank verschuldigd, omdat jullie me altijd zo goed helpen met het begin van de lente. “

Vlokje stond nog steeds bewegingloos te staren naar Ostara. Het drong niet tot hem door wat ze zojuist verteld had. Alleen had hij gehoord dat ze zou helpen met zijn wens, zou zij hem kunnen leren skiën?

Hij zei verlegen: “Dank u wel.”

“Vlokje kun je morgen op hetzelfde tijdstip hier zijn als vandaag, dan stuur ik je hulp.”

Zonder zijn antwoord af te wachten liep ze terug de regenboogtrap op en zwaaide ter afscheid. De regenboog werd steeds lichter van kleur en verdween ten slotte helemaal in de wolken, net zoals Ostara. Vlokje bleef zwaaien totdat hij niets meer zag.

Vlokje rende naar huis. Het liefst wilde hij alles aan zijn moeder vertellen. Alles wat hij zojuist gehoord en gezien had, maar iets weerhield hem daarvan. Er kwam wel een ander idee in hem op.

“Mama, heb jij al eens gehoord van Ostara? Ken jij een verhaal over haar?”

“Vlokje, wat een leuke vraag. Ik hou van verhalen vertellen en het verhaal van Ostara is een prachtig verhaal. Roep jij je zussen even, dan vertel ik jullie het verhaal.”

Niet veel later zaten de vier jonge sneeuwhazen gezellig dicht bij elkaar in het hol en begon mama Florine te vertellen:

“Eens, heel lang geleden, toen goden en godinnen nog de wereld bewoonden, werd na een lange, koude winter met heel veel ongeduld uitgekeken naar de lente. Maar de lente wilde maar niet komen. Men verlangde alle­maal naar groen, naar wat warmte en naar de zon. Helaas bleef de aarde bedekt met een dikke sneeuwdeken. De mensen en dieren hadden behalve last van de kou, heel veel honger. De plantenwereld hield zich nog schuil daar onder die dikke laag sneeuw. De dieren konden geen voedsel meer vinden. De mensen hadden hun win­tervoorraad op en iedereen snakte naar iets eetbaars. Er waren nog geen winkels, bedenk wel, het was het begin der tijden, toen er nog goden en godinnen woonden.

Een klein meisje was ook op zoek naar iets eetbaars, een besje of iets anders. Ze vond alleen maar opgepeuzelde kastanjes en lege nootjes. Toen zag ze op een open plek een vogeltje dat vastgevroren zat. Ze wilde graag helpen, maar ze wist niet hoe. Ze was bang om de vleugels of de pootjes van het vogeltje kapot te maken. Ze ging naast het vogeltje zitten en begon zachtjes te bidden tot de lentegodin. In die tijd vroeg je alle hulp aan de goden en godinnen. Ze hadden allemaal een taak en het meisje hoopte dat als ze zou bidden tot de lentegodin het warmer werd en het vogeltje zonder lijden bevrijd kon worden.

Opeens verscheen er uit een prachtige regenboog aan de hemel Ostara de lentegodin. Ze kwam langs de re­genboog naar beneden gelopen. Ze was gekleed in een prachtige jurk. Haar jurk leek gemaakt van stralend zonlicht. Om haar heen begon alles te smelten. De lente was in het land! Ostara kon de vogel niet meer redden, maar besloot het dier te veranderen in een sneeuwhaas, zodat het dier de komende jaren beter tegen de kou zou kunnen dan als een vogel. Ze vertelde het meisje dat vanaf die dag de sneeuwhaas het teken zou zijn dat de lente eraan komt. Omdat de mensen zo lang geen eten meer hadden kunnen vinden, gaf Ostara het meisje eieren mee in de kleuren van de regenboog. En zo werd Ostara, de lentegodin, voortaan aangeroepen als de winter te lang duurde.”

Vlokje kon zijn oren niet geloven. Hij had zojuist de lentegodin ontmoet en hij had daar gestaan als een lamgeslagen sneeuwhaas en niets tegen haar gezegd. Zijn zusjes stelde moeder allerlei vragen over de lentegodin en de gekleurde eieren. Vader Arthur kwam het hol in en zei: “Als de eerste volle maan komt aan het begin van de lente dan laat ik jullie iets héél bijzonders zien. Maar wat dat is, dat verklap ik nog niet, ook al geven jullie me de kieteldood!” De vier jonge hazen kietelden papa Arthur net zo lang totdat ze moe waren van het spelen en ze wisten dat hij echt niets zou verklappen.

Ze waren de hele dag en avond vol van het verhaal. Moeder vertelde nog dat de lentegodin Ostara ook wel bekend is geworden door het paasfeest. Want het paasfeest wordt in het Duits “Ostern” genoemd en dat woord zou afstammen van de naam Ostara. Vlokje zwaaide voor het slapengaan even naar de hemel, naar zijn onzichtbare lentegodin.

De volgende ochtend was Vlokje al vroeg wakker en hij ging snel het bos in, waar hij ongeduldig op en neer huppend wachtte op hulp. Rond acht uur verscheen er een bever.

“Ik ben Oskar de timmerman. Ostara heeft me gestuurd om ski’s voor je te maken, ga je met me mee?”

De bever vertelde onderweg dat ze op zoek moesten naar een goede boom om ski’s van te maken. Het hout moest jong zijn. Ze daalden flink het dal in en daar lag de sneeuw niet meer zo hoog als boven op de berg. De bever stopte bij een boompje. Hij keek er naar en ging er rustig voor staan, hij streelde en voelde aan de boom. Toen sprak hij: “Beste boomvriend, graag zou ik uw hout gebruiken om nuttige ski’s te maken voor deze jonge sneeuwhaas. De lentegodin heeft me gezonden.”

De boom knikte en boog zich gewillig voorover. De bever knaagde met zijn scherpe tanden de boom door en toen lag er een flinke, dunne boomstam op de grond.

“Ik hoop dat je sterk bent Vlokje, want deze boomstam moet naar mijn werkplaats en die ligt boven op de berg.”

Vlokje en Oskar sjouwden met zijn tweetjes de zware boomstam de berg op. Na een paar korte pauzes kwamen ze aan op een open plek in het bos. Rechts stond er een soort van schuur en Oskar vertelde dat ze daar moesten zijn.

Eenmaal binnen begon Oskar de boom op te meten en te bekijken. Vlokje keek zijn ogen uit, zoiets had hij nog nooit gezien. Overal lag en hing gereedschap en hout. Oskar liep naar Vlokje en begon ook hem te meten en te bekijken.

“Het plan is het volgende Vlokje. Ik ga skietjes voor je maken uit deze boomstam. Mooie houten ski’s. Ik ga ze goed schuren en heel glad maken. Dan maak ik er een soort van ijzeren bevestiging aan, zodat jouw poten erin passen. Ik wil graag nog even je poten opmeten en dan ga ik aan de slag. Kom over een dag of drie maar terug.”

“Mag ik u helpen alstublieft?”

“Helpen gaat niet lukken Vlokje, maar je mag zeker iedere dag komen kijken en blijven zolang als je wilt.”

“Ik moet nu eerst naar huis, anders wordt mijn moeder ongerust, maar morgen kom ik heel graag terug. Dank u Oskar.”

“Bedank mij niet, het is Ostara die je moet bedanken. Tot morgen Vlokje!”

Vlokje ging heel blij naar huis. Hij had het zwaar om zijn geheim niet te verklappen. Hij wilde het natuurlijk het liefst van de daken schreeuwen. Hij speelde met zijn zussen en bedacht spelletjes waarmee hij kon oefenen hoe je moet skiën!

De volgende dag was Vlokje de hele dag bij Oskar in de schuur te vinden. Oskar was een hele goede timmer­man. Vlokje had nog nooit een timmerbever gezien, maar hij zag wel met hoeveel liefde en plezier Oskar het hout schuurde, raspte, weer schuurde, met zijn poot vasthield en er zachtjes over wreef.

“Voel eens Vlokje, ze worden super glad, je gaat over de sneeuw vliegen!”

Vlokje zag zichzelf in gedachten al door het bos van de berg af skiën.

“Denk je dat het me zal lukken om te leren skiën?”, vroeg Vlokje wat onzeker aan Oskar.

“Vlokje, je zult vaak moet oefenen. Je zult vallen en weer op moeten staan, maar dat is niet erg. Ik wilde graag timmerman worden. Alle dieren vonden me daarom raar en anders. Maar er was een sneeuw-elf en hij geloofde in me. Van hem heb ik het timmeren geleerd. Ik krijg alleen maar opdrachten van de kabouters en de elfen, want de dieren zeggen dat ze niets nodig hebben van een timmerman. En weet je? Het is helemaal goed zo, want ik hou van hout. Ermee werken en er iets moois en nuttigs van maken heeft al mijn verdriet over hoe de dieren over mij denken goed gemaakt. Dus Vlokje, soms zal het moeilijk zijn hier in het bos. Er zullen dieren zijn die je een vreemde vogel vinden. In jouw geval een vreemde sneeuwhaas, maar trek je daar alsjeblieft niets van aan.”

Iedereen is anders

De één is groot, de ander klein,

de één houdt van sneeuw, de ander heeft het liefst iedere dag zonneschijn.

Het zit alleen maar tussen de oren,

dat men denkt dat iets zo moet zijn of dat iets zus zou moeten horen.

Alle variaties, alle mogelijkheden zijn goed,

niets is verkeerd, het gaat er alleen maar om dat je de dingen met liefde doet.

Wil je skiën ook al vinden ze je vreemd, wil jij iets wat nog nooit iemand voor jou deed?

Ga ervoor, ook al bezorgt het je soms ruzie of angstzweet.

Iedereen is anders en dat is een groot geluk,

want daarmee maakt iedereen zijn eigen voetafdruk.

Zonder nieuwe en vreemde ideeën, zonder anders zijn,

had deze wereld lang niet zo veel glans en zonneschijn.

Het moment dat Vlokje voor het eerst op zijn skiën in de sneeuw stond had voor Vlokje een eeuwigheid ge­leken, maar in werkelijkheid had Oskar de timmerbever heel hard gewerkt en was het hem gelukt om in drie dagen tijd goed zittende skietjes voor Vlokje te maken. Vlokje stapte voorzichtig in de ski’s. Oskar liet hem zien hoe hij de ski’s moest vastmaken aan zijn hazenpootjes. Oskar had kleine houten skistokjes gemaakt en vroeg aan Vlokje of hij mét of zonder de stokken wilde beginnen. Vlokje twijfelde even, maar nam toen de stokken dankbaar aan.

“Ik geloof dat ik het nu maar eens ga proberen Oskar.”

Vlokje ging diep gehurkt zitten, zoals hij de kinderen had zien doen. Hij kreeg opeens vaart. Het voelde wat onwennig, maar aan zijn ogen kon je zien dat hij heel blij was. Vlokje ging steeds sneller de berg af, totdat hij zijn evenwicht verloor en viel. Oskar kwam achter hem aangerend.

“Gaat het, heb je je pijn gedaan?”

Vlokje lachte en gaf Oskar een dikke knuffel.

“Dit is het aller-allerleukste wat ik ooit heb gedaan, dank je wel. Ik ga verder oefenen en kom je straks vertellen hoe het ging.”

Oskar keek de skiënde jonge sneeuwhaas na en kreeg van zijn enthousiasme een opperbest humeur. Vlokje oefende de hele dag. Berg af, ski’s uit, naar boven klauteren, ski’s aan en de berg weer af. Onvermoeibaar, totdat hij zijn zusjes hoorde: “Vlokje, naar huis komen, we gaan eten.”

“Ik kom er zo aan”, riep Vlokje.

Hij skiede snel naar Oskars schuur, borg de ski’s op en vertelde dat hij na het eten terug zou komen. Zijn moe-der vroeg wat hij de hele dag gedaan had en gelukkig geloofde ze zijn ‘gespeeld’ als antwoord. De zusjes hadden het hoogste woord aan tafel. Vlokje voelde zich zo gelukkig en tegelijkertijd doodmoe. Alles deed pijn. Vooral het bovenste deel van zijn pootjes, wat de arm is bij mensen, deed heel veel pijn. Na het eten wilde hij nog naar Oskar gaan, maar hij was zo moe dat hij al snel in slaap viel.

Oskar schrok de volgende ochtend wakker van de buurman Bonkie, het wilde zwijn, die boos binnen kwam gesprongen.

“Die zoon van jullie doet precies wat dieren niet mogen en jullie weten van niets. Ik heb hem gisteren zien skiën. Hij spant samen met Oskar, die vreemde snuiter. Een bever die denkt te kunnen timmeren. En nu heb­ben we Vlokje de sneeuwhaas die denkt te kunnen skiën. Dieren zijn dieren. Geen mensen, kabouters, elfen of wat dan ook. Ik heb zijn ski’s gevonden en kapot gemaakt. Gedaan met die flauwekul en pas voortaan op je kinderen.”

Bonkie, het wilde zwijn liep lomp terug naar zijn eigen plek in het bos.

Vlokje liep naar zijn moeder. Tranen biggelden over zijn snuit.

“Hoe kon hij dat nou doen? Oskar heeft er dagen aan gewerkt, ze zijn van mij.”

“Waarom heb je papa en mij niets verteld? Het is belangrijk dat we je kunnen vertrouwen. Wij zijn eerlijk tegen jullie, dat verwachten wij ook van jou en je zusjes. Maar Bonkie had niet het recht je spullen kapot te maken.”

Vlokje wilde het liefst naar Oskar, maar zijn moeder had gisteren al verteld dat ze hen vandaag zou meenemen voor een tocht door het bos. Florine vond de kinderen ondertussen groot genoeg om ze de plekken te laten zien in het bos waar ze veel voedsel konden vinden. De plekken waar berk, jeneverbes, wilg, populier, gras, heide en bloemen te vinden zijn. Ze gingen op pad. Vlokjes gedachten waren er niet bij. Hij had de hele weg niet gezien waar hij gelopen had, totdat ze opeens op een hele mooie open plek in het bos stonden.

“Sneeuwhazen gaan eigenlijk alleen naar buiten in het donker, maar als het sneeuwt dan kan het ook overdag. Omdat jullie nog zo jong zijn gaan wij nu nog overdag naar buiten, maar over een week of twee dan is dat voorbij en daarom laat ik jullie nu zien waar je het beste voedsel kunt vinden. Kom kinderen, nog heel even doorlopen.”

Ze sprongen en hupsten achter mama Florine aan, totdat ze opeens tussen een hele groep sneeuwhazen stonden.

“Als je je ooit alleen voelt dan kun je naar deze plek komen. Er is hier altijd eten te vinden, zelfs in de winter. Hier komen alle sneeuwhazen van dit gebied samen.”

Vlokje, Eloïse, Amélie en Céleste keken verlegen om zich heen. Zo’n groep van zeventig sneeuwhazen was om het vijftal heen komen staan en Florine kreeg kopjes tegen haar hoofd van de sneeuwhazen. Vlokje en zijn zussen wisten niet meer waar ze moesten kijken met zo veel hazen om zich heen.

Vlokje voelde zich nog steeds boos en verdrietig. Hij wilde graag terug naar huis, maar mama leek geen haast te hebben met al die bekenden om haar heen. Vlokje liep maar wat rond. Er kwam een andere sneeuwhaas naast hem lopen.

“Hi, ik ben Vlekje.”

“Hallo, ik ben Vlokje.”

Ze keken elkaar aan en toen moesten ze heel hard lachen.

“Waar zit dat vlekje dan?”vroeg Vlokje.

Vlekje deed zijn linkeroor naar beneden en daar zat inderdaad een klein zwart vlekje.

“Waarom heet jij Vlokje?”

“Ik ben geboren toen de eerste sneeuwvlokjes naar beneden vielen en mama vond me net zo zacht en donzig als de sneeuwvlokjes. Waar woon jij Vlekje?”

“Hier heel dichtbij. Vandaag verveel ik me zo. Ik ben het liefst in het bos. Daar kijk ik naar de skiënde kin­deren, daar word ik zo blij van.”

Vlokje kon zijn oren niet geloven. Zou hij Vlekje kunnen vertellen van zijn ski’s? Hij durfde het niet.

“Zullen we eens afspreken Vlekje om samen naar ze te kijken, want ik vind ze ook heel leuk. Maar mijn familie snapt daar niets van.”

“De mijne ook niet Vlokje. Ze denken dat ik raar ben of zo.”

Terwijl ze verder kletsten schoot er opeens een sneeuwhaas voorbij en riep: “ Verstop je gauw: JAGER.”

Er kwam nog een sneeuwhaas voorbij gesprint.

“Ik los je af, rust jij maar even uit,” zei hij tegen de andere sneeuwhaas.

Vlokje en Vlekje zaten in een kuil verstopt en zagen hoe verschillende hazen elkaar afwisselden en de jager uiteindelijk afdroop zonder haas. De groep sneeuwhazen kwamen weer bij elkaar. Er werd flink gelachen om de jager.

“Die kende het geheim van de sneeuwhazen niet!” riep een oudere sneeuwhaas.

Mama verzamelde Vlokje, Eloïse, Amélie en Céleste.

“Kom jongens, genoeg gezien voor vandaag, we gaan er vandoor.”

“Mama, ik wil nog even dag zeggen tegen Vlekje.”

Vlokje keek rond, maar zag Vlekje nergens meer.

Op de terugweg legde mama uit dat sneeuwhazen elkaar altijd helpen als ze in gevaar zijn. De jager begon te schieten, maar miste en de haas kon wegrennen. Na een tijdje ging een andere haas voor hem in de plaats ren­nen, zodat hij kon uitrusten en de jager geen schijn van kans had!

Na de lunch mocht Vlokje eindelijk naar buiten. Hij rende zo hard als hij kon naar Oskars schuur.

“Vanochtend had ik hazenles van mama en mocht ik niet komen.”

Vlokjes lipje begon te trillen, hij moest bijna huilen en zei toen zachtjes: “Gisteren is iets heel ergs gebeurd. Bonkie, onze buurman heeft gezien dat ik ski. Hij wil niet dat dieren skiën. Hij heeft mijn ski’s kapot gemaakt.”

Vlokje stond nu heel hard te snikken.

“Hij is zo gemeen. Het skiën ging zo goed gisteren. Mijn ouders zijn heel boos op me. Het spijt me zo dat al je werk voor niks is geweest Oskar. Nu kan ik nooit meer skiën.”

Vlokje zakte op de grond en staarde naar de vloer.

Oskar nam zijn snoetje vast en keek hem aan.

“Ik zag Bonkie gisteren lopen met je ski’s. Ik ben hem gevolgd. Hij heeft je ski’s in tweeën gebroken. De sluit­ing van de ski’s heeft hij kapot gebeten met zijn tanden. Wat een bruut, onwetend zwijn is dat. Maar droog je tranen lieve, lieve Vlokje. Ik heb twee paar ski’s voor je gemaakt uit die mooie boomstam die we samen hebben uitgekozen. Ik dacht: “Stel je voor er gebeurt iets, dan hebben we nog altijd een reserve paar.”

Oskar liep naar een kast. Hij opende de deur en haalde er precies dezelfde ski’s uit als Vlokje eerst had. Vlokje sloot zijn poten om Oskars nek en knuffelde hem stevig.

“Jij bent de beste, liefste ski-maker en vriend die ik ken.”

“Nu moeten we zorgen dat Bonkie je niet meer ziet en ik ga praten met je ouders. Ik stel voor dat je ver weg blijft van zijn plek in het bos. Kom, ga nu je nieuwe ski’s maar gauw uitproberen.”

Oskar keek Vlokje na met zijn nieuwe houten skietjes op zijn rug.

“Niets fijner dan iemand gelukkig maken”, dacht hij bij zichzelf.

In het begin was Vlokje heel bang om Bonkie tegen te komen, maar Oskar had de hulp van de vogels inge-schakeld. Als Bonkie in de buurt kwam floten de vogels een grappig deuntje en dan wist Vlokje dat hij zich moest verstoppen. Vlokje werd iedere dag beter in skiën. Hij viel heel vaak, maar stond iedere keer zonder zuchten en met even veel enthousiasme weer op. Iedere val, iedere sprong, iedere minuut op zijn ski’s maakte hem zo tevreden en blij. Op een dag tijdens een afdaling kreeg hij een idee. Hij wilde Oskar vragen wat hij van zijn idee vond. Hij skiede naar de timmerplaats.

“Oskar, ik heb een idee. Zou jij een hazen ski-parcours kunnen maken met hout? Ik zou namelijk alle dieren in het bos willen laten zien dat ik kan skiën. Ik zou graag een echte skipiste willen maken met een start en een finish.”

“Dat is een geweldig idee Vlokje. Neem me maar eens mee om te zien wat je in gedachten hebt en wat ik dan moet maken.”

Samen liepen ze door het bos. Vlokje liet Oskar zien welke weg hij wilde skiën. Waar hij dacht dat er houten afzettingen moest komen waar de dieren achter konden gaan staan. Oskar had een klein tekenblokje bij zich en maakte aantekeningen en schetsjes.

Vlokje praatte aan één stuk door. “Hier moet de start komen Oskar. En kijk daar, zie je dat, daar moeten de hekken komen en hier de finish.”

Vlokje vertelde dat hij uitnodigingen wilde maken en posters wilde ophangen in het bos.

De volgende dagen werkten Vlokje en Oskar zij aan zij in de timmerplaats. Vlokje tekende mooie posters en schreef de uitnodigingen. Oskar timmerde er op los om alle hekjes en afzettingen klaar te maken die langs het parcours zouden komen te staan.

“Vlokje, als we klaar zijn volgende week en we alles willen opzetten dan moeten we er rekening mee houden dat Bonkie heel boos wordt of alles kapot gaat maken, daarom heb ik een idee.“

Vlokje keek Oskar met grote ogen aan.

“Als we de middag dat we alles opzetten en klaarmaken voor jouw skiwedstrijd heel veel kastanjes en wortels naar Bonkie brengen, dan weet ik zeker dat hij de hele nacht slaapt met een volle buik. Daardoor wordt hij hopelijk niet te vroeg wakker en kunnen wij rustig onze gang gaan. Wat denk je ervan?”

“Oskar, jij bent een genie. Hoe komen we aan al die kastanjes en wortels?“

“Laat dat maar aan mij over, daar heb ik mijn vrienden voor.”

Na een week zagen, timmeren, tekenen, schrijven en kleuren waren Oskar en Vlokje eindelijk zo ver dat ze op vrijdagmiddag het parcours konden gaan opzetten. Met een grote houten hamer sloegen ze de planken en af­zettingen in de sneeuw. Af en toe kwam er een nieuwsgierige vogel of eekhoorn voorbij die vroeg wat ze deden. Maar Oskar en Vlokje verklapten aan niemand hun geheim. Het antwoord was steeds hetzelfde, wie het ook vroeg: “Een verrassing voor alle dieren van het bos morgenochtend!”

Die avond toen eindelijk iedereen sliep sloop Vlokje zijn hol uit en bezorgde bij alle dieren in het bos zijn uitnodiging en hing op heel wat bomen zijn zelfgemaakte posters:

UITNODIGING

Zaterdag om 10.00 uur: een verrassing voor alle dieren van het bos.

Kom allemaal naar de grootste dennenboom op het Zuider Massief.

Tot morgen! Vlokje

Moe, veel te laat, maar voldaan kwam Vlokje terug in zijn holletje. Hij keek naar de hemel. Hij zwaaide naar de hemel, waar hij hoopte dat Ostara hem zou zien.

“Kom je morgen kijken, lieve Ostara?” riep Vlokje zachtjes naar de hemel.

Aan het ontbijt gaf Vlokje een uitnodiging aan zijn ouders en zusjes. Zodra hij het gegeven had sprong hij op.

“Wat heeft dit te betekenen Vlokje?”

“Alstublieft mama, ik moet nu gaan. Het wordt heel leuk, komen jullie, alsjeblieft? Tot zo.”

Vlokje liep de deur uit, op weg naar Oskars timmerplaats.

Vlokjes buik voelde heel vreemd, alsof er een zwerm bijen in zat. Het kriebelde op een vreemde, maar tege-

lijkertijd ook leuke manier. Oskar voelde hoe gespannen Vlokje was en gaf hem een klopje op zijn schouders.

“Kom op Vlokje, niet twijfelen. Je bent nu zo ver gekomen. Ik weet zeker dat het je gaat lukken en dat veel dieren heel trots op je zullen zijn.”

Vlokje trok zijn skietjes aan en ging het parcours nog een laatste keer verkennen.

In huize wildzwijn werd Bonkie net wakker. Zijn vrouw gaf hem de flyer.

“Wat is dat?”

Hij bekeek de uitnodiging, scheurde het kapot en schudde woest zijn kop.

“Die dekselse haas weet zijn plek niet in de cirkel van het leven. Ik zal hem leren.”

Hij stampte weg, draafde door het bos totdat hij een ladder uit de hemel zag komen.

Hij keek één keer, en nog een keer. Met zijn hoeven in de sneeuw moest hij tot stilstand komen. Hij droomde het niet, hij keek nog eens. Voor hij het goed en wel besefte stond Ostara de lentegodin voor zijn neus.

“Goedemorgen Bonkie. Ik ben Ostara, de lentegodin. Ik wil graag met je meelopen naar de verrassing van Vlokje.”

“Ik heb geen tijd, die duivelse haas moet eerst zijn lesje leren.”

Hij wilde terug in volle draf wegrennen toen Ostara hem zachtjes aanraakte. Bonkie voelde zich opeens zo licht als een veertje en kon niet meer bewegen in de richting waar hij naar toe wilde. Zijn woede was weg. Hij voelde zich opeens heel rustig en op een vreemde manier gelukkig.

“Weet je nog Bonkie, toen jij een jong zwijntje was, hoeveel energie jij had en wat jij het liefste deed?”

Bonkie keek Ostara aan.

“Dat weet ik zeker nog, maar dat mocht niet van mijn vader. Hij vond dat wilde zwijnen dat niet konden en mochten doen.”

“Ben je misschien een beetje zoals je vader geworden Bonkie? Ben je vergeten dat kind zijn heel leuk is? Dat iets heel graag doen je blij maakt? Zoals Vlokje het heerlijk vindt om te skiën.”

Een beetje beschaamd keek Bonkie naar de grond.

“Het klopt wel wat die godin tegen me zegt”, dacht Bonkie.

“Ik vond het heerlijk om te dansen en muziek te maken. Het liefst deed ik dat uren aan een stuk. Lentegodin, ik ben inderdaad een knorrig en bozig wild zwijn geworden in plaats van een vrolijk, dansend wild zwijn dat ik vroeger was.”

“Alle levende wezens verlangen ernaar om gelukkig, gezond en veilig te zijn. Hoe iedereen dat doet of invult mag iedereen zelf weten. Iedereen zijn eigen talent, zijn eigen hobby’s, zijn eigenheid. Ik weet dat goden en godinnen soms wat moeilijk praten, maar volgens mij heb je me begrepen, toch?”

“Ja, dank u lentegodin. Zullen we gaan kijken naar Vlokje? Ik ben eigenlijk wel heel nieuwsgierig geworden.”

En zo gingen de lentegodin en het wilde zwijn zwijgend naast elkaar op pad. Toen ze aankwamen bij de grootste dennenboom op het Zuider Massief was het al behoorlijk druk.

Vlokje kwam aangelopen en schraapte zijn keel: “Lieve vrienden uit dit bos. Vandaag heb ik jullie uitgenodigd om te laten zien dat ik kan skiën. Ik ben uitgelachen en mijn ski’s zijn kapot gemaakt. Maar er waren twee vrienden die me onvoorwaardelijk hebben gesteund. Oskar en de lentegodin Ostara. De lente is bijna in het land. Ik wil jullie laten zien dat wat vandaag makkelijk is, eerst een onmogelijke droom leek. Het leven is din­gen uitproberen om te zien of ze werken.

Ik nodig jullie uit om langs het parcours te gaan staan. Hartelijk dank voor jullie komst.”

Vlokje wachtte totdat iedereen een plekje achter de hekken had gevonden. Hij gaf Ostara en Oskar die aan de start stonden een stevige knuffel en toen zoefde hij de berg af, aangemoedigd door heel wat dieren. Bij de finish stond Bonkie Vlokje op te wachten met een spandoek waarop stond:

sorry Vlokje, ik ben trots op je

Bonkie danste toen Vlokje de finish over kwam. Hij stormde op Vlokje af. Vlokje was nog even bang en dacht dat hij hem pijn zou doen. In zijn vaart had hij het spandoek niet gelezen, maar hij zag in de ogen van Bonkie dat hij niet boos was.

“Mijn oprechte excuses voor mijn botte en brute gedrag. Ik ben echt heel trots op je Vlokje. Jij hebt me vandaag geleerd wat ik vergeten was. Dat je moet blijven geloven in je dromen, dank je wel.”

Er rolde een traan over zijn dikke zwijnenwang. Hij pakte Vlokje op en knuffelde hem zo stevig dat Vlokje bijna geen lucht meer kreeg!

Vader, moeder, Eloïse, Amélie en Céleste kwamen aangelopen en Bonkie liet Vlokje los.

Mama sprak. “Wat ben ik blij dat Oskar en de lentegodin in jou geloofden. Sinds Oskar bij ons is langs geweest heb ik geen seconde meer getwijfeld aan het feit dat jij ook kunt skiën.

Zullen we alle spullen opruimen en naar huis toe gaan? Papa wil dolgraag een verhaal vertellen nu de lente er bijna aankomt.”

Onderweg naar huis zag Vlokje dat zijn haar in de rui was en het witte van zijn vacht plaats begon te maken voor een bruine vacht. Het einde van de winter, het begin van de lente, het begin van iets nieuws? Na het eten gingen ze met z’n allen liggen onder de sterrenhemel en keken naar de maan. Papa begon zachtjes te vertellen:

“Pasen valt altijd op de eerste zondag na de volle maan na het begin van de lente. Met de lente en met Pasen vieren we dat balans terugkeert. Dat de wereld herboren is en weer tot leven komt. Dat wat onder de aarde ver­scholen zit zich weer mag laten zien. Dat licht de duisternis en de kou overwonnen heeft. Vanavond probeert de paashaas over de maan te springen om het licht van de maan te bemachtigen. Zodat wij sneeuwhazen niet alleen de paaseieren kunnen rondbrengen, maar ook het licht kunnen verspreiden in het hart van ieder mens.”

Vlokje, Eloïse, Amélie en Céleste wezen met hun pootjes naar de maan en opeens sprong de sneeuwhaas over de maan. Het werd langzaam licht en ochtend. Betoverd door zoiets moois vielen ze in slaap. Vlokje droomde van de lente en al het groen. Toen hij de volgende ochtend wakker werd geloofde hij zijn ogen niet. Hij moest op verkenningstocht. De witte sprookjeswereld had plaats gemaakt voor groene alpenweiden met beekjes, stenen en prachtige uitzichten. Zijn moeder was hem gevolgd en sloeg een poot om hem heen.

“Ik ben op de mooiste plek van de hele wereld geboren”, zei Vlokje.

“In ieder geval voor een sneeuwhaas is dit de beste plek. Voor ieder levend wezen, voor ieder kloppend hart is er zo’n plek, maar je moet het wel zien. Niet alleen met je ogen, maar ook met je hart.”

Vlokje en mama keken zwijgend nog een hele tijd uit over het prachtige berglandschap, totdat ze vier sneeuwhaas-kopjes uit een holletje zagen komen.

Einde