Ferritail

Ferri zat aan de linkerkant naast de boerderij. Hij keek naar het uitzicht op het weiland met daarachter het bos. De wind waaide door zijn zwarte vacht. Niets kon hem blijer maken dan dit. De geur van het voorjaar prikkelde in zijn neus. De kleuren, allemaal nog wat flets, maar er schemerde al wat groen door. Dat groen dat zoveel verschillende kleuren heeft. Zachtere kleuren in de lucht, al een beetje warm. De  lucht zoemde en trilde, zoals de bijtjes in de bloemen. Langer licht. Ferri sprong op en rende naar binnen. De boerderij in; via het hondenluik.

‘Ferri, Ferri, wat ben je toch een knapperd, kom eens hier rakker.’

Ferri werd uitbundig geknuffeld en geaaid door Jenny, de jongste in huis. Ferri liet zich heerlijk kriebelen achter zijn oren. Hij zwiepte met zijn staart langs de tafel en ging gelukkig op het tapijt liggen. Dicht bij Jenny in de buurt.

‘Wie wil er nou gen hond zijn?’, dacht Ferri bij zichzelf, terwijl Jenny ondertussen alles wat Ferri met zijn staart van de salontafel had afgeslagen met zijn staart moest opruimen.

“Ferri, je bent echt onhandig met die staart van je.’

Ferri tilde één ooglid op, keek Jenny aan, zag dat ze niet boos was en deed alsof hij haar niet hoorde. Mensen deden nou eenmaal altijd moeilijk over zijn staart. Hij kon er toch ook niks aan doen, dat hij van blijdschap altijd kwispelde. Zelf was Ferri heel blij met zijn staart. Vorige week had hij iets ontdekt. Hij wilde het nog niet aan zijn moeder vertellen, maar het vandaag of morgen nog eens uitproberen.

Later op de dag kwam Ferri’s moeder ook het huis in en ging naast Ferri liggen.

‘Oh lekker jongen, even uitrusten. Ik heb me zojuist helemaal kapot gerend. Ik klaag niet, want ik ben graag lekker buiten. ‘

‘Moest je weer jagen mama?’

‘Ja en jij zou dat ook moeten doen. Ze gaan je nog wegsturen als je iedere keer wegloopt bij de jacht Ferri. Dan zien we elkaar nooit meer.’

‘Rust nou maar uit, alles komt goed mama.’

Toen zijn moeder diep lag te slapen, stond Ferri op en ging naar buiten. Rondom het huis was het druk. Veel paarden, mensen met geweren. Er klonk gelach en geroep. Op de grond lagen dode hazen, zwijnen, eenden en andere dieren.

Ferri rende over de weilanden naar het bos. Hij keek in holletjes en ging langs bij al zijn vrienden. Gelukkig was bijna iedereen er nog. Ferri zat samen met de herten.

‘Ik zie Herbert de gans niet, hebben jullie hem gezien?’

De herten knikten van nee.

‘Waarom doen ze die stomme jacht toch? Waarom moet er op jullie gejaagd worden? Julie zijn mijn vrienden. Mij schieten ze toch ook niet dood?’

‘Jij bent niet zo lekker Ferri en ze zeggen dat wij met te veel zijn en de natuur kapot maken. Volgens mij zijn we alleen op zoek naar eten, maar de jagers vinden dat wij alles kapot maken.’

‘Ik heb dit allemaal al zo vaak gezien en gehoord. Ik snap het niet. Ik ga op zoek naar Herbert.’

Ferri vond Herbert na een tijdje zoeken aan de rand van het water in het riet. Herbert was moe en gewond.

‘Herbert, wat is er gebeurd?‘

‘Ze hebben op me geschoten. Ik werd een beetje geraakt aan mijn vleugel. Mijn vleugel lijkt wel lam, kun jij eens kijken?’

Ferri duwde met zijn neus de vleugel omhoog en zag dat enkele slagpennen gebroken waren.

‘Dit kunnen we weer maken, het gaat snel genezen. Laat mij maar even mijn werk doen.’

Ferri liep heen en weer. Op en neer langs Herbert en raakte daar bij iedere keer met zijn staart de vleugel van Herbert aan. Herbert zat doodstil. Ferri liep in zichzelf te mompelen en streelde zachtjes de vleugels van Herbert met zijn staart.

‘Vandaag moet je je goed verstoppen hier langs de waterkant in het riet en uitrusten. Morgen kom ik weer. Het komt goed.’

Met zijn neus raakte Ferri de gans zachtjes aan en liep weg.

De volgende ochtend rende Ferri zo vroeg en zo snel mogelijk als hij kon naar Herbert. Herbert wilde net weg vliegen toen hij Ferri aan zag komen.

‘Oh Ferri, jij bent een wonderhond. Jouw staart heeft me genezen. Kijk, ik kan alles weer bewegen én ik vliegen.’

Herbert steeg op en snaterde hoog in de lucht van alles wat Ferri niet kon horen. Hij rende door de weilanden achter Herbert aan. Het ene dier hoog in de lucht en het andere dier gelukkig rennend  op het land.

Het nieuws verspreidde zich al snel als een lopend vuurtje; dat Ferri zijn vriend Herbert had genezen. Ferri werd vanaf die dag voor menig pijntje en serieuze wonden gehaald. Op een dag toen Ferri en zijn moeder heerlijk voor het haardvuur lagen en het gezin aan tafel zat, legde Ferri zijn hoofd dichter naast van zijn moeder.

“ Mam, ik kan dieren genezen met mijn staart. Ik heb het nu al heel vaak gedaan en het lukt. Kan jij dat ook?’

Ferri’s moeder keek haar zoon met grote, wijde ogen aan.

‘Oh jongen, wat mooi. Je vader kon het ook, maar hij hield het nogal geheim.’

‘Waarom hield hij dat geheim?’

‘Omdat niet iedereen kan geloven dat een hond met zijn staart kan genezen. Geen hond die dat gelooft, lieverd.’

Ferri bleef even stil en staarde in het haardvuur.

‘Ging papa daarom dood?’

‘Nee Ferri, je vader  is neergeschoten bij de jacht. Het was een ongeluk. Hij kon zichzelf niet redden, hij was op slag dood.’

‘Die stomme jacht is werkelijk nergens goed voor mama.’

De volgende ochtend rook het heerlijk in huis en Ferri trippelde naar de keuken. De kokkin had al heel wat pannen op het vuur.

Toen ze Ferri zag, riep ze: ‘Dag knapperd, kijk eens wat ik heb voor jou?’

Ze hield een mooi bot omhoog voor Ferri. Ferri lag daarna heerlijk zoet in een hoek van de keuken te kluiven van zijn bot, totdat er een dienstmeid bloedend binnenkwam. Alle dienstmeiden en de kokkin waren in rep en roer.

‘Wat is er gebeurd?’ gilde de kokkin in paniek.

Er ging een geweer af dat buiten lag en nu zit er hagel in mijn been.

De baas des huizes kwam de keuken in en liep op het dienstmeisje af.

‘Greta hoe kon dat gebeuren?’ Ik heb de dokter gebeld. Hij is onderweg.’

Niemand keek op of om naar Ferri. Hij had zijn kop op Greta’s schoot gelegd en toen ze afgeleid werden ging hij met zijn staart over Greta’s been op en neer. Toen de dokter binnenkwam was de wond zo goed als genezen.

‘Een wonder,’ riep de dokter en ‘wat een geluk.’

Ferri was tevreden terug gegaan naar het hoekje in de keuken. Arthur kwam de keuken in en ging naast Ferri zitten op de grond. Hij kriebelde Ferri heerlijk.

‘Waarom moet die stomme jacht nu nog? Laat die dieren. We mogen alleen jagen als het echt nodig is. Als er echt te veel dieren zijn en ze beschadigingen maken, maar voor de rest is het nergens goed voor. De hele wereld heeft het wel over het klimaat, over het verlies van bossen. Dat de verstedelijking alles kapot maakt. En wij wonen midden in de natuur en jagen op alles. We doden vossen met honden. Prachtige reeën voor hun vlees en dan gebeuren er ook nog steeds ongelukken met onschuldige dieren en mensen. Als ik dit landgoed erft dan stopt de jacht onmiddellijk.’

Ferri gaf Arthur een lik op zijn wang.

‘Ja jongen , ik ben het niet vergeten dat jouw vader ook per ongeluk werd doodgeschoten door die oude buurman die niet zo goed meer zag. Het is de eenentwintigste eeuw, we zijn geen jagers-verzamelaars meer.’

Ferri schaamde zich opeens zo dat hij had zitten smullen van dat bot, want dat was  natuurlijk ook van een dier. Een dood dier.

De volgende ochtend was er weer een jachtpartij. Ferri en zijn moeder moesten mee op jacht.

‘Ferri, deze keer moet je mee. Ik wil jou niet ook nog missen. Je komt er niet onder uit, anders doen ze je weg.’

Met heel veel tegenzin ging Ferri mee. Hij blafte naar alle vogels:

’Zeg het voort, zeg het aan alle dieren : ze gaan jagen, maak dat je wegkomt, zoek een veilige plek.’

Ferri moest met zijn moeder een paar wilde zwijnen opjagen. Drijven naar de mannen op hun paarden, zodat ze geschoten konden worden. Ferri blafte luid naar zijn moeder:

‘Mama, dit is een gezin. Ik ken ze, deze leuke familie gaan we toch niet laten doodschieten.’

De zwijnen werden bang, de kinderen jammerden, de ouders probeerden ze te beschermen en Ferri zat in een hevige innerlijke strijd. Toen ze in het midden van het bos bijeen gedreven waren, loste één van de jagers een schot op de zwijnen. Ferri begon nog wilder te blaffen en te rennen, waardoor het zwijnengezin uit elkaar liep. Ferri sprong hoog in de lucht in de hoop dat het schot zou missen. Ferri’s moeder zag de kogel en was  bang dat haar zoon geraakt zou worden. Ze spong zo hoog als ze kon en viel toen met een klap op de grond.

‘Oh nee, mama, mama, alsjeblieft niet doodgaan.’

Mama lag op de grond en kreunde zachtjes.

‘Ik hou van je Ferri. Zorg jij ervoor dat deze wereld een mooiere plek wordt?’

Ze sloot haar ogen en blies haar laatste adem uit.

Ferri probeerde met zijn staart langs haar lichaam te strelen, hij probeerde alles wat hij kon, maar het was te laat.

Arthur nam Ferri en zijn moeder mee en groef een graf naast het huis voor de dode hond.

Ferri lag weken op het graf en vroeg zich iedere dag af waarom hij zijn moeder niet had kunnen redden met zijn staart. Arthur zat geregeld bij hem. Als het donker werd kwamen er altijd dieren. Herbert de gans, herten, vogels en zwijnen. Iedereen probeerde hem op te beuren, maar het hielp niets. Ferri was lusteloos, moe, zijn hart deed zo’n zeer. Hij wist niet waarom hij leefde.

Op een heldere nacht toen hij nog steeds op het graf van zijn moeder lag, verscheen er een engel boven zijn hoofd. Het was een lichte verschijning. Als een soort silhouet in de donkere nacht.

‘Ferri, je ouders hebben me gestuurd. Ze zijn zo trots op je, ze houden zielsveel van je, maar het breekt hun hart dat jij hier alleen maar blijft liggen. Ze sturen je al hun liefde.’

‘Wat heb ik eraan dat ze u sturen en dat ze hier niet meer zijn?’

‘Ze zitten in je hart, je hebt herinneringen aan ze, je bent nog jong en je hebt nog een heel leven voor je. Er zijn heel veel dieren en mensen die van je houden, kom maar eens mee met mij.’

De engel zweefde vooruit en Ferri stond langzaam op. Hij liep, maar hij moest gaan rennen om de engel bij te houden. Opeens hield ze stil en kwam zachtjes aan zijn hoofd:

’Kijk en wees stil. ‘

In het bos zaten verschillende dieren in een kring. In het midden was een klein vuur. In de lucht rondom de kring vlogen vuurvliegjes. Zachtjes klonk er:

In deze met licht vervulde nacht

sturen wij al onze vrienden moed en kracht

We zegenen iedereen die vandaag op aarde is gekomen

we zegenen iedereen waarvan vandaag afscheid is genomen

We sturen licht naar iedereen die het nodig heeft

liefde vult ons hele wezen, liefde is de kracht die in iedereen leeft

In deze met licht vervulde nacht

is het liefde dat ons verzacht

‘Dit doen ze elke avond. Ferri, het leven is niet alleen leven met leuke en mooie dingen. Het leven kan ook triest zijn met verlies en dood. Dat is een cyclus. Leven en dood horen bij elkaar. Het is niet erg. Als je geboren wordt dan weet je dat je op een dag sterft. Voor de een is dat op hoge leeftijd, voor de ander al heel jong. Dat is voor jouw ouders het geval, maar denk eens aan al die mooie dingen die je met ze heb meegemaakt. Alles wat ze je geleerd hebben. Er zijn hier veel dieren en mensen die van je houden en je nodig hebben. Kom tot leven Ferri.’

Ferri sliep die nacht voor het eerst weer in het huis op het tapijt vlakbij de haard. Jenny was zo blij de volgende ochtend dat Ferri weer binnen sliep. Ze ging naast hem liggen en kriebelde Ferri overal. De anderen in huis waren al net zo blij en overal viel per ongeluk wat van de tafel, zodat Ferri allemaal lekkere hapjes kreeg onder de tafel.

Ferri liep na het ontbijt naar het bos en ging op zoek naar Herbert. Hij vond hem aan de waterrand.

“Ferri, daar ben je eindelijk. Heb je zin om mee te gaan? Ik wil je iets laten zien. Je moet er wel een stukje voor rennen.’

Ferri keek naar Herbert en daar gingen ze. Herbert voorop in de lucht en Ferri er achter aan op de grond. Ferri voelde zich langzaam maar zeker tot leven komen en genoot van de omgeving. De lente was inmiddels in volle gang en kleurde de velden. Bijen deden hun best. Vogels zongen hun mooiste lied. Ferri voelde de wind door zijn vacht wapperen en keek omhoog naar Herbert. Hij blafte en Herbert gakte. Het werd een spelletje. De tijd ging snel voorbij. Herbert vloog naar beneden.

‘Kijk, daar is het. Het is niks voor mij. Arthur is er ook, ik geloof dat jij als hond er wel bij kunt zijn en dat het zelfs belangrijk is. Ik ga niet mee.’

Ferri keek en zag een hele massa mensen lopen met spandoeken.

 

Stop de jacht

Geef dieren hun leefgebied terug

Stop de klopjacht op vossen

 

Er stond een groot podium en de stoet hield daar stil. Arthur ging naar de microfoon en sprak de mensen toe. Ferri hoorde niet alles wat Arthur vertelde, maar hij begreep wel dat het over de jacht en zijn ouders ging. Ferri zocht zijn weg tussen de menigte en sprong het podium op. Even was Arthur van slag. Het duurde niet lang.

‘Dit is Ferri, hij verloor zijn beide ouders tijdens de jacht. Hij wilde een zwijnenfamilie verdedigen waarop gejaagd werd en zijn moeder ving de kogel voor het zwijn. Het kan toch niet meer normaal zijn dat wij onschuldige dieren doodschieten. Stop het dierenleed.’

De massa klapte en kwam weer in beweging. Arthur aaide Ferri.

‘Met kleine stapjes zullen we de mensen wakker schudden Ferri. Wat ben ik blij dat je hier bent.’

 

 

Drie jaar later

‘Wat is er aan de hand?’

‘Ik vind de wereld stom. Mijn vrienden zijn irritant. Er woont hier in de buurt, in het bos een hele gemene jongen. Ik voel me rot. Ik ben verdrietig en heel kwaad tegelijk.’

‘Vandaag liep ik in het bos. De herfst is in volle gang. De bladeren vielen of dwarrelden prachtig omlaag en weet je wat ik dacht?

De bladeren dwarrelen, zweven of vliegen op door de wind net zoals het humeur van een kind.’

‘Nou, lekker pap, je helpt me echt. Alsof ik zo’n stemmingswisselingen heb iedere dag.’

‘Nee, Astor, ik zie dat je boos en verdrietig bent. Wat ik wil zeggen is dat het even tijd nodig heeft voordat je je humeur niet meer laat bepalen door een ander. Dat alles relatief is als je het even de tijd geeft. De bomen van vanmiddag in het bos waar ik liep staan daar al meer dan honderd jaar. Er liggen misschien wel stenen die er al meer dan duizend jaren liggen. Hoe vaak zouden ze gefluisterd hebben tegen mensen en dieren die voorbij kwamen dat het wel goed zou komen. Hoeveel stormen, hittegolven hebben ze al meegemaakt en ze zijn er nog steeds. Als je dan kijkt naar onze levens dan is het maar heel kort dat we hier mogen zijn. Het leven is niet alleen maar mooi, leuk , gevuld met feestjes. Eigenlijk is het iedere dag best wel hetzelfde en zijn er momenten dat het leven heel verdrietig, heel saai en zelfs heel stom is. De vraag is :hoe zorgen wij in die korte tijd dat we er zijn; dat we veerkrachtig genoeg zijn om niet alleen de leuke, maar ook de stomme dingen aan te kunnen?’

‘Jeetje pap, wat een moeilijk antwoord op mijn slechte humeur, pff.’

‘Ik geef je een opdracht: Ga die gemene jongen helpen en dan zul je het snappen. Tot die tijd ga ik je doodknuffelen. ‘

Ferri stoeide met zijn zoon, hij beet hem zachtjes in zijn oren, zijn poten. Ze rolden en buitelden door het hele huis. Toen Astor voor de dertigste keer ‘genade’ had gezegd viel Jack doodmoe in slaap.

Astor liep de volgende ochtend door het bos naar het huis van de jongen. Tot zijn verbazing zat hij voor het huis op de grond. Astor liep er rustig naar toe en ging naast hem zitten. De jongen leek Astor niet op te merken. Hij was in gedachten en keek daarbij heel boos. Astor drukte zijn snuit tegen de arm van de jongen.

‘Maak dat je wegkomt!’

Astor liet zich niet afschrikken en bleef rustig zitten. De jongen tjokte weg het bos in en schopte ondertussen tegen eikels en dennenappels die verspreid lagen op de grond. Hij pakte een dennenappel en gooide hem weg. Astor volgde de jongen. Opeens klonk er een schelle stem die riep:

’Jack, naar huis, nu!’

“Jack, naar huis nu!’ zei Jack zijn moeder na.

Hij slofte terug naar het huis. Jacks moeder stond voor het huis op hem te wachten. Zodra ze Jack zag schreeuwde ze tegen hem.

‘Waar ben je mee bezig Jack. Je komt nu je puinhoop opruimen en voor straf mag je vandaag niet meer naar buiten’

De deur viel met een harde klap dicht. Astor liep om het huis heen en zocht naar Jacks kamer. In de woonkamer zat Jacks moeder achter een computer te typen en Jacks vader was niet thuis.

Astor vond het raam en sprong met zijn voorpoten op de vensterbank en keek naar binnen.

De kamer was inderdaad een puinhoop. Astor sprong op en neer in de hoop dat Jack hem zag, maar dat was niet het geval. Astor viel in slaap onder het raam. Toen hij wakker werd was Jack niet meer in zijn kamer. De moeder van Jack liep met haar telefoon in de hand door de woonkamer en Jack zat op en stoel naar zijn moeder te kijken. Astor ging terug naar huis.  Hij snapte zijn opdracht nog niet. Hij verheugde zich op een stoeipartijtje met zijn vader en lekker spelen in het bos die middag.

De volgende dagen mocht Jack niet naar buiten en Astor observeerde Jack. De ouders van Jack liepen steeds met hun telefoon aan hun oor door het huis of zaten achter hun computerscherm en hadden geen tijd voor Jack. Als hij iets vroeg gaven ze amper antwoord. Astor zag dat Jack een vaas nam en met opzet uit zijn handen liet vallen.

Jacks ouders sprongen op en schreeuwden. Jack werd weer naar zijn kamer gestuurd. Astor rende naar Jack’s raam. Hij sprong als een wilde op en neer en Jack zag hem. Jack opende zijn raam.

‘Wat doe jij hier? Hang je nog steeds hier rond? Wil je binnenkomen?’

Astor nam een aanloop en sprong naar binnen. Jack ging naast hem zitten.

‘Als ze jou hier zien dan is het voor de rest van mijn leven huisarrest. Ze hebben nooit tijd voor me. Heb jij leuke ouders? Hoe heet je eigenlijk?’

Jack keek naar Astor’s halsband.

“Astor wekom! Ik ben Jack.’

Astor lachte een beetje in zichzelf, want dat wist hij al lang. De deur vloog open en Jacks moeder kwam binnen. Astor sprong vliegensvlug op en sprong de raam  uit. Astor ging naar huis en vertelde zijn vader alles.

Ferri moest een goed plan bedenken om Arthur mee te krijgen naar het huis van Jack.

Ondertussen was bij Jack thuis een oppas aangekomen, omdat Jacks ouders een weekendje weg gingen. Ze hadden een oppas geregeld. Een dochter van een zakenrelatie die graag wat geld wilde verdienen. Jack had al direct in de gaten dat deze oppas een jong, onervaren meisje was dat helemaal geen zin had om op te passen. Jack had de hele nacht wakker gelegen en een plan bedacht om zijn ouders de stuipen op het lijf te jagen. Toen ze gisteravond aan hem vertelden dat ze even een weekendje weg wilden met zijn tweetjes, wilde hij het liefste gillen: ‘Ik wil ook mee. ‘ Maar hij had het niet gezegd. Hij durfde het niet. Terwijl zijn oppas achter haar telefoon door het huis liep, pakte Jack zijn rugzak met spullen en liep de deur uit. Hij kende het bos niet zo goed, maar als hij een hele dag zou lopen dan zou hij vast een heel eind van huis tegen de avond. Én voordat zijn oppas ook maar iets zou merken.  Hij hield de pas er flink in en na een paar uurtjes kwam hij bij een beekje. Hij ging even zitten, at een boterham, waste zijn handen in het water en liep verder.  Hij voelde zich best wel goed. Hij was niet zo gelukkig thuis. Altijd maar binnen zitten. Hij keek goed rond en genoot van de natuur. Hij liep langs paadjes. Soms was het bos donker en dicht begroeid en dan was er weer een open plek. Hij liep verder tot het donker werd. Hij ging op zoek naar een plekje om te slapen. Hij had een slaapzak, een zaklamp, een kompas en genoeg eten en drinken meegenomen. Hij was trots op zichzelf dat hij aan alles had gedacht.

Ondertussen was de oppas erachter gekomen dat Jack geen spelletje met haar speelde en echt was verdwenen.  Ze durfde geen contact op te nemen met Jacks ouders, want dan zou ze moeten toegeven dat ze meer tijd aan haar telefoon had besteed dan aan Jack. Zou ze haar ouders bellen of naar de grote boerderij lopen en kijken of Jack misschien daar was? Ze had er vandaag vanuit het raam twee jongens zien spelen en wie weet was Jack daar wel. Ze besloot om daar maar te beginnen. Arthur en zijn gezin zaten net aan tafel toen de deurbel ging. Een jong meisje stond voor zijn deur en vroeg;

‘Is Jack hier, mijnheer?’

Astor die voor de haard lag hoorde Jacks naam en stond vliegensvlug naast Arthur.

‘Wie is Jack?’

‘Ik ben de oppas. Jack woont daarginds,’ en ze wees in de richting van het huis.

‘Jack is niet naar huis gekomen en ik dacht hij misschien hier zou zijn.’

Ferri stond ondertussen ook bij de deur en keek zijn zoon aan.

’Ga hem zoeken Astor, ik zorg dat Arthur met mij mee gaat. Volg zijn spoor, vraag de dieren om hulp. Er zijn er genoeg die ons willen helpen. Sinds het afschaffen van de jacht is ieder dier onze vriend en niet meer bang. Ga, ga gauw.’

“Kom binnen, mijn naam is Arthur. Jack is hier niet, maar laten we even rustig nadenken waar hij zou kunnen zijn.’

Astor maakte van de gelegenheid gebruik om naar buiten te rennen. Hij rende naar Jacks huis en volgde zijn spoor. Het was niet heel erg sterk meer. ‘Jack moest al lang onderweg zijn.’ dacht Astor. Astor vroeg aan de vogels of ze Jack gezien hadden.

Vanochtend liep hij hier met een rugzak, maar dat is echt al lang geleden. We vliegen voor je uit en vragen in de buurt, misschien zien wij hem wel.’

Astor rende door, snuffelde veel en volgde het spoor. Bij de beek rook hij Jack goed. Astor dronk wat water en liep weer verder.

In het huis van Arthur werd besloten om Jacks ouders te bellen. De telefoon ging over, maar er werd niet opgenomen. Arthur keek naar de oppas en vroeg : ‘Hoe heet jij eigenlijk jonge dame? ‘

‘Ik heet Kiara.’

‘Kiara even eerlijk, heb jij vandaag iets met Jack gedaan?’

‘Nee.’

‘Heb je op hem gelet?’

‘Nee.’

‘Wat heb je wel gedaan?’

‘Met mijn vriendinnen geappt en gesnapchat.’

‘Heb je enig idee hoe laat hij vertrokken is?’

‘Nee.’

Ferri begon te blaffen en Arthur begreep dat ze moesten vertrekken.

‘We gaan Jack met de auto zoeken.’

Hij liet Kiara voorgaan en riep:

‘Ferri kom!’

Arthur en Kiara stapten in de auto en Ferri sprong op de achterbank.

Ferri blafte en Arthur begreep dat de raam open moest. Ferri stak zijn kop door de raam en Herbert vloog al in de lucht.

‘Astor is al heel ver, maar nog geen spoor. Volg mij.’

Arthur probeerde zo goed en zo kwaad als mogelijk de gans te volgen. Ganzen vliegen niet over wegen en af en toe was het behoorlijk onstuimig in de auto, maar Arthur kon Herbert goed volgen.

Jack had zich klaar gemaakt voor de nacht. Hij was in een rugzak gekropen en tegen een boom gaan zitten. Hij hoorde zo veel geluiden. Hij scheen met zijn zaklamp naar wat het geluid vandaan kwam, maar hij zag niks. Alleen maar silhouetten van bomen die op en neer wiegden in de wind. Hij vond het eng. Hij knipte zijn zaklamp uit en probeerde te slapen. Het lukte niet. Het geritsel van alles wat hem onbekend was. Ook het donker. Zo donker was het thuis nooit. Jack besloot om verder te wandelen en niet te blijven zitten waar hij nu was. Hij stopte zijn rugzak terug in zijn tas. Met zijn zaklamp zocht hij een weg door het bos. Hij was nog steeds een beetje bang, maar lopend vond hij het minder spannend dan zittend op één plek. Hij volgde het schijnsel van zijn zaklamp en probeerde het pad te volgen. Er kraakten takken onder hem. Het leek niet echt een pad te zijn waar hij liep. En toen opeens een hele harde klap. Zijn voet deed direct vreselijk pijn. Hij schreeuwde het uit. Hij scheen met de zaklamp naar zijn voet. Hij moest gaan zitten. De pijn in zijn voet was heel scherp. Hij trilde helemaal. Er zat metaal om zijn voet heen. Hij moest in een klem gelopen zijn waar stropers  dieren mee vangen. Jack probeerde de klem te openen, maar hij had niet genoeg kracht. Het was ook te donker. Hij moest wachten tot het licht zou worden. Hij ging zitten en probeerde zijn voet zo weinig mogelijk te bewegen. ‘Had ik mijn telefoon nu toch maar meegenomen. Wat een stom idee om die thuis te laten.’ Zachtjes snikte Jack. Hij had zijn ouders een beetje bang willen maken door weg te lopen en nu zat hij hier midden in de nacht met zijn voet in een klem en hij kon niemand bellen. Opeens hoorde hij geritsel achter zich. Hij knipte zijn zaklamp aan en keek in de ogen van een wild zwijn. Jack schreeuwde. Hij schrok zich helemaal kapot. Jack kon geen  kant op. Het zwijn bleef doodstil staan. ‘Zou hij met de zaklamp het dier kunnen slaan als het dichterbij zou komen?’ Allerlei gedachten schoten door zijn hoofd. Het zwijn leek wel een standbeeld. Het stond stokstijf en maakte geen enkele beweging. Jack trilde nu nog meer. Van de pijn en van de angst. Het wilde zwijn ging langzaam liggen en keek Jack aan. Jack dacht dat hij gek geworden was. Een wild zwijn dat naast hem ging liggen! Het beest kroop steeds dichterbij en legde zijn kop in Jacks schoot. Jack wist niet wat hij moest doen. Hij leek af te glijden in een soort slaap. Toen hij wakker schoot lag het zwijn nog steeds met zijn kop op zijn schoot. Jack aaide het zwijn voorzichtig. Hij vond het fijn en eng tegelijk.  Het zwijn ging nog rustiger ademen en keek hem aan. Jack viel in slaap. Hij werd wakker doordat zijn gezicht opeens nat werd. Jack opende zijn ogen en zag Astor die zijn gezicht aan het likken was.

‘Astor, wat doe jij hier?’

Jack vergat zijn voet en maakte een beweging. Direct was hij terug in de realiteit. Hij vertrok zijn gezicht en Astor likte hem weer. Het zwijn en Astor gaven elkaar een kopje. Opeens was er heel veel lawaai. Van vogels en een auto leek het wel. Herbert en een hele zwerm vogels landden voor Jack en de jeep stopte ook.

Arthur en Kiara stapten uit en Ferri sprong uit de auto. Hij keek naar Arthur, hij liep direct naar Jack.

‘Ik ben Arthur, niet bewegen. Je bent in een stropersval gelopen. Ik ga je helpen de klem eraf te halen. Gaat het wel met je?’

Jack was te beduusd om te snappen wat er allemaal gebeurde. Ferri bedankte de vogels, Herbert, het zwijn en Astor voor hun hulp.  Ferri bleef vlakbij Arthur staan, want hij wilde Jack van de pijn afhelpen. Arthur kreeg de klem van Jacks voet en vroeg aan Kiara of ze achter in de jeep een deken en wat water wilde pakken.

Ferri ging vlakbij Jacks voet staan en begon langzaam met zijn staart over Jacks voet te strelen.  Arthur hield Jack vast.

‘Blijf nog maar even zitten. Ferri is een goede hond, hij helpt je. Dit zwijn, Astor, Herbert en de vogels hebben je gevonden. Drink rustig een slokje water en dan gaan we zo naar huis.’

Ferri deed wat hij het beste kon. Astor en de dieren stonden vlakbij Jack.

‘Jack, kun je staan denk je?’

Jack kwam langzaam omhoog. Zijn voet voelde veel beter zonder die klem. Voorzichtig steunde hij op zijn voet en het ging best wel goed. Nog een beetje wiebelig en pijnlijk, maar hij kon er op staan en  wandelen. Het leek gelukkig allemaal wel mee te vallen. Jack stopte en draaide zich om ;‘Dank jullie wel allemaal’ en hij  aaide het zwijn en Astor over het hoofd. Hij wist niet wat hij moest doen met de vogels en boog zich een beetje voorover om ze te bedanken.  Toen liep hij langzaam naar de auto. Ferri en Astor sprongen achterin de bak, Arthur en Kiara stapten voorin de jeep.

Jack viel als een blok in slaap in de warme auto.

Toen hij de volgende ochtend wakker werd wist hij eerst niet waar hij was. Hij keek om zich heen en zag Astor naast zijn bed liggen. Jack  ging naast hem zitten en kriebelde Astor uitgebreid. Hij stond op en liep zijn kamer uit. Artur, zijn vrouw en twee kinderen hadden de tafel gedekt.

“Goedemorgen Jack, hoe gaat het met je?’

‘Ik heb heerlijk geslapen. Dank u wel dat u mij geholpen heeft.’

‘Dit zijn Sarah, Tim en Max. We gaan ontbijten.’

Jack schoof aan tafel. Hij keek eens goed om zich heen en wist niet dat zijn huis zo gezellig was. Arthur keek hem even aan en gaf hem een knipoog. Astor lag met zijn kop op zijn voet onder de tafel.

“Je ouders komen zo thuis Jack. We hebben ze vannacht kunnen bereiken.’

Een half uur later stapten Jacks ouders het huis binnen.  Jacks moeder liep direct naar Jack toe.

Arthur schraapte zijn keel.

“Aangenaam, mijn naam is Arthur Wallfield. Dit is mijn vrouw Sarah en onze kinderen Tim en Max. Wij gaan naar huis.”

De vader van Jack die nog steeds in de deuropening stond kwam er nu ook bij.

“Dank u Mijnheer Wallfield voor uw goede zorgen. Hoeveel ben ik u schuldig aan kosten voor benzine en andere kosten die u gemaakt heeft voor het zoeken naar Jack?’

Arthur en Sarah keken elkaar een kort moment verbaasd aan en toen herpakte Arthur zich.

‘Jack is een hele leuke, lieve jongen. Kinderen zijn het mooiste geschenk in deze wereld. Gelukkig is alles goed afgelopen.’

Arthur en Sarah namen afscheid van Jack.

‘Kom je gauw bij ons langs? Je bent altijd welkom, ’zei Sarah. Arthur keek naar Jacks ouders en zei: ‘Dat geldt ook voor jullie, altijd welkom bij ons en laat Jack gerust bij ons komen spelen. Een goede dag.’

Jacks ouders liepen braaf achter de familie Wallfield aan naar de  deur.

Jacks vader keek naar Jack en vroeg heel rustig; “Waarom ben je weg gelopen?’ Jack keek naar de grond en stamelde zachtjes;

‘Julie zijn altijd zo druk met je werk. Jullie doen heel weinig met mij en jullie schreeuwen heel veel tegen mij. Dan word ik boos en doe ik met opzet stomme dingen. Ik doe dat eigenlijk omdat ik hoop dat jullie me dan zien, maar het eindigt altijd in straf. En dat jullie na al die dagen straf met zijn tweetjes weggingen dat maakte me zo boos en verdrietig.

Vanochtend met deze familie was het zo gezellig. Ik herinner me dat wij het ook gezellig hadden samen. We deden spelletjes en jullie lazen me voor. Of we speelden buiten.’

Jacks moeder gleed op de grond. Astor legde zijn kop in har schoot. Haar eerste reflex was  om de hond weg te duwen, maar toen ze in de ogen van Astor keek was ze verkocht. Ze streelde Astor en huilde. Jack ging op de grond naast haar zitten. ‘Sorry Jack, ik wilde alles. Ik wilde moeder zijn, maar ik wilde ook geld verdienen en een mooie baan. Ik wilde de perfecte echtgenote zijn, vrouw, vriendin. Ik wilde niet onderdoen voor alle anderen. Maar ik zie dat ik daardoor geen leuke moeder was. Dat spijt me Jack, sorry.’

Ook Jacks vader was op de  grond komen zitten. Ze zaten hand in hand, schouder aan schouder en Astor lag tevreden op de schoot van iedereen!

Die dag deden ze spelletjes en bakten ze pannenkoeken. Ze maakten plannen hoe het er vanaf nu zou uitzien.

Arthur was samen met Ferri het bos in gegaan. Ze hadden zich verstopt. Ze wachtten en wachtten en na een paar uur werd hun geduld beloond. Een man dook op in het bos en zocht naar zijn val. Toen hij zich bukte om de val op te rapen sprong Arthur op en greep de man vast. Ferri stond ernaast te grommen.

‘Dit is mijn bos, hier wordt niet gejaagd, gestroopt of dieren gedood, tenzij dat anders wordt aangekondigd, is dat duidelijk?’

De man was lijkbleek. Hij barstte direct in snikken uit.

‘Sorry, ik hou van dieren, maar ik heb geen andere mogelijkheid. Ik ben mijn baan kwijt en we moeten alle eindjes aan elkaar knopen. Ik wil één keer per week een fatsoenlijke maaltijd op tafel zetten en dus zoek ik in het bos naar vruchten, paddestoelen en zet ik een val voor vlees. Het spijt me zo.’

Arthur liet de man los.

“Wat een ellende. Kom mee naar mij thuis, misschien kan ik je helpen.’

Arthur stelde zich voor en de man heette Axel. Ze praatten terwijl ze naar het huis van Arthur liepen.

Ferri ging op zoek naar Herbert.

Hij vond zijn goede vriend aan de waterkant en ging naast hem zitten.

‘Hi Ferri, hoe gaat het met Jack?’

‘Volgens Astor goed. Zijn ouders zijn eigenlijk echt geschikte lui, alleen waren ze dat zelf even vergeten!’

Ferri en Herbert lachten en keken samen over het water. Na een tijdje zei Ferri: ‘Ik moet er vandoor. Arthur heeft die stroper te pakken gekregen, maar ook dat bleek een vreselijk vriendelijke kerel te zijn. Hij zocht eten voor zijn kinderen. Wat een ellende in de wereld Herbert. Ik zou ook alles doen om Astor eten te geven als het nodig was.’

‘Niet iedereen heeft het zo goed als ons Ferri. Hier in het bos is er genoeg eten voor iedereen en we helpen elkaar. De natuur en de dieren leven van en met elkaar. Bij de mensen is dat anders, daar is de ongelijkheid groter. Maar er zijn altijd dieren, mensen, kabouters, elfen die wel helpen. Die het goede doen voor de ander. Als we dat blijven doen dan maken we deze wereld samen beter en mooier.’

“Ja, ik ben nooit vergeten wat jullie voor mij hebben gedaan, wat Arthur voor mij heeft gedaan en daarom help ik zo graag. Er is een keten over de hele wereld van schijnbare gewone dieren, mensen, wezens die dag in, dag uit liefde handen en voeten geven. Zij dragen de wereld, is dat geen mooi gevoel?’

Ferri nam afscheid van Herbert en voelde zich intens dankbaar en gelukkig op weg door de weilanden met de wind in zijn vacht.

De volgende ochtend klopten de ouders van Jack aan bij familie Wallfield. Arthur maakte de deur open.

‘We zullen eerst maar eens beginnen met ons voor te stellen. Ik ben Pat en dit is mijn man Victor.  We zijn zo blij dat je Jack gevonden hebt. We zouden niet weten wat we zonder hem moesten. We hebben met Jack gesproken en er gaat van alles veranderen om het weer gezellig te hebben met elkaar. We willen jullie graag uitnodigen om dit weekend bij ons eten’

Arthur glimlachte breed.

“We komen heel graag Pat en Victor. Bedankt voor de uitnodiging.’

‘We hebben nog een vraag. Zou Astor nog een tijdje bij ons mogen blijven? Het liefst voor altijd?’

‘Ik denk dat Astor dat zelf al besloten heeft, dus volgens mij zit dat wel goed. Ik heb ook nog een vraag voor jullie. ‘

Arthur legde uit dat hij iemand kende die zijn baan was kwijt geraakt en nu op zoek was naar een baan. Victor beloofde rond te bellen in zijn netwerk en ze namen blij afscheid van elkaar.

Op zaterdagavond was het een gezellige drukte bij Jack thuis. Jacks vader had als verrassing ook Axel en zijn gezin uitgenodigd. Ze hadden twee zonen in dezelfde leeftijd als Max, Tim en Astor.

Jacks moeder had heerlijk gekookt. Er werd gelachen, gegeten, spelletjes gespeeld. Victor vertelde dat hij een baan had gevonden voor Axel.  Iedereen toostte op het goede nieuws.

Ferri en Astor lagen onder de tafel en keken elkaar blij aan. Voor Astor hadden Jacks ouders ook een luik gemaakt bij de voordeur. Ferri en Astor slopen naar buiten.  De laatste dagen hadden ze s ’nachts buiten geslapen. Ferri, Astor, Herbert, de zwijnen en de reeën, de uil en een paar vogels.  Toen Ferri en Astor naar buiten kwamen lagen de dieren al bij elkaar. De plek was bij het graf van Ferri’s moeder, precies tussen de boerderij en het huis van Jack in, met het weiland en het bos ervoor.

Ze lagen met z’n allen vredig onder de sterrenhemel. Feri leerde Astor over de grote en de kleine beer en hoe hij ze moest vinden. Astor keek naar Ferri en zei;

’Papa, ik wist niet waarom ik van jou naar Jack moest gaan. Gisteren heb ik een versje bedacht zoals jij altijd rijmt. Mag ik het vertellen aan jou en de rest?’

Ferri knikte. Astor stond op en liep naar het midden van de kring.

Opnieuw beginnen

 

Gisteren was ik plots heel tevreden,

zomaar zonder reden.

Ik wist niet dat ik me zo voelen kon,

maar wou dat het alweer opnieuw begon!

Want opnieuw beginnen is als een verjaardag,

je weet niet precies wat je krijgt, maar er is altijd een glimlach.

Begin op nieuw ; telkens weer,

gaat het niet zoals je wilt : verbeter je leven, laat los al het zeer.

Ben een beter, liever, gelukkiger, dankbaarder dier of mens

dat is wat ik iedereen toewens.

Want opnieuw beginnen is als de opkomende zon,

want soms vergeten we zomaar even hoe mooi de dag altijd begon.

 

Astor ging naast Ferri liggen. Ferri wist voor één keer niets te zeggen. Tranen liepen over zijn wangen. Hij knuffelde Astor en toen Astor lekker sliep, keek Ferri de kring rond. Hij keek naar Herbert die zijn ogen nog geopend had. Hij knikte hem zachtjes toe. Hij keek naar zijn vrienden en naar de sterrenhemel. Hij wist dat zijn ouders vanaf daar naar hem keken. Hij wist ook dat hij het levende bewijs was dat je opnieuw kunt beginnen. Hij zou deze avond dankbaar en gelukkig in slaap vallen. Hij was op de beste en mooiste plek ter wereld met al zijn dierbaren om hem heen. Net voor hij zijn ogen sloot zag hij een vallende ster.

Einde